Thuis zeg je de straat. Op het examen heet dat de rijbaan. Jij zegt expresweg, het examen zegt autoweg. Ken je de juiste woorden, dan begrijp je de vraag. Hieronder train je ze.
Z
Inspecteur Z
Klik op een stuk van de straat. Je ziet meteen hoe het op het examen heet.
Fiets · WOORDEN
Woorden op het examen
24 woorden
Rijbaan
Op straat zeg jede straat, de baan
In het examen heet hetRijbaan
Het stuk van de weg voor voertuigen. Het trottoir, het fietspad en de berm liggen ernaast. Ze horen niet bij de rijbaan.
Art. 2.1: het deel van de openbare weg dat voor het voertuigenverkeer in het algemeen is ingericht.
VALKUIL
Rijbaan is enkel het stuk voor voertuigen. Trottoir, fietspad en berm horen er niet bij. Een fietssuggestiestrook en een busstrookF17 liggen wel op de rijbaan.
Drie wegen die op elkaar lijken
AutosnelwegF5
Op straat zeg jeautobaan, snelweg, de E40
In het examen heet hetAutosnelwegF5
Snelle weg tussen bord F5F5 (begin) en bord F7F7 (einde). Max 120 km/u, minimum 70 km/u. Geen brommers, geen tractoren, geen fietsers, geen voetgangers. Niet keren, niet achteruitrijden, niet stilstaan.
BeginbordF5Begin van een autosnelweg
EindbordF7Einde van een autosnelweg
Art. 2.3 en 21
VALKUIL
"Autobaan" is straattaal. In het examen heet het altijd autosnelwegF5.
AutowegF9
Op straat zeg jeexpresweg
In het examen heet hetAutowegF9
Weg tussen bord F9F9 (begin, wit autootje op blauw) en bord F11F11 (einde, doorstreept). Alleen motorvoertuigen. Er kunnen kruispunten en verkeerslichten zijn. Minimumsnelheid: geen. Maximum: zoals op een gewone weg van dat soort. In Vlaanderen buiten de bebouwde komF1a 70, met bord C43C43 90, en 120 bij 2 rijstroken per richting met een middenberm. Niet keren, niet achteruitrijden, niet stilstaan.
BeginbordF9Begin van een autoweg
EindbordF11Einde van een autoweg
Art. 2.4 en 22
VALKUIL
AutowegF9 is niet hetzelfde als autosnelwegF5. Kijk naar het bord. Met een brommer of tractor mag je op geen van beide.
VoorrangswegB9
Op straat zeg jede grote baan, de hoofdweg
In het examen heet hetVoorrangswegB9
Een weg waar jij voorrang hebt op de kruispunten. Begint bij het gele ruitbord B9B9, stopt bij B11B11.
BeginbordB9Voorrangsweg
EindbordB11Einde van de voorrangsweg
Art. 12 en bord B9B9
VALKUIL
VoorrangswegB9 zegt niets over hoe groot of snel de weg is. Ook een smalle dorpsweg kan een voorrangsweg zijn.
Alle andere woorden
Rijbaan
Op straat zeg jede straat, de baan
In het examen heet hetRijbaan
Het stuk van de weg voor voertuigen. Het trottoir, het fietspad en de berm liggen ernaast. Ze horen niet bij de rijbaan.
Art. 2.1: het deel van de openbare weg dat voor het voertuigenverkeer in het algemeen is ingericht.
VALKUIL
Rijbaan is enkel het stuk voor voertuigen. Trottoir, fietspad en berm horen er niet bij. Een fietssuggestiestrook en een busstrookF17 liggen wel op de rijbaan.
Rijstrook
Op straat zeg jehet vak, de lane
In het examen heet hetRijstrook
Een deel van de rijbaan tussen witte strepen. Bij werken zijn de strepen soms oranje.
Art. 2.2
VALKUIL
Eén rijbaan kan meerdere rijstroken hebben. Rijbaan is het geheel, rijstrook is één vak.
Trottoir
Op straat zeg jevoetpad, stoep
In het examen heet hetTrottoir
Het verharde stuk voor voetgangers, meestal wat hoger dan de rijbaan.
Art. 2.40
VALKUIL
In het examen staat altijd trottoir. Een "pad" is in de wegcode iets anders: een smalle weg.
Fietspad
Op straat zeg jefietsweg
In het examen heet hetFietspad
Het stuk voor fietsers en bromfietsen klasse A, aangeduid met bord D7D7, D9D9 of met markeringen.
Art. 2.7: het fietspad maakt geen deel uit van de rijbaan.
VALKUIL
Een fietspad heeft bord D7D7 of D9D9, of twee witte onderbroken strepen. Een gekleurde strook zonder bord en zonder die twee strepen is een fietssuggestiestrook. Die ligt op de rijbaan.
Gelijkgrondse berm
Op straat zeg jede kant, het gras
In het examen heet hetGelijkgrondse berm
De strook naast de rijbaan, even hoog als de rijbaan, meestal niet verhard. Ligt ze hoger, dan heet ze verhoogde berm.
Art. 2.41 en 2.42
VALKUIL
Een berm is geen trottoir, ook al lopen er voetgangers.
Middenberm
Op straat zeg jede middenstrook, het gras in het midden
In het examen heet hetMiddenberm
Een aangelegde scheiding tussen twee rijbanen, zoals gras, beton of een vangrail.
Art. 2.44: elke aanleg in de lengterichting om de rijbanen te scheiden, behalve wegmarkeringen.
VALKUIL
Een geverfde lijn is nooit een middenberm. Dat telt voor de snelheid: 120 op een gewone weg kan alleen bij fysiek gescheiden rijrichtingen.
Oversteekplaats voor voetgangers
Op straat zeg jezebrapadF49
In het examen heet hetOversteekplaats voor voetgangers
De witte strepen dwars over de rijbaan waar voetgangers oversteken.
Borden A21A21 (aankondiging) en F49F49 (de plaats zelf)
VALKUIL
Inhalen vlak voor of op een oversteekplaats mag niet.
Kruispunt
Op straat zeg jede kruising
In het examen heet hetKruispunt
De plaats waar twee of meer openbare wegen samenkomen.
Art. 2.9
VALKUIL
Een uitrit van een huis of garage is geen kruispunt. Wie daar uitrijdt, verleent voorrang aan iedereen.
RotondeD5
Op straat zeg jehet rondpunt
In het examen heet hetRotondeD5
Weg rond een middeneiland, één richting, met bord D5D5. Aan de ingangen staat B1B1 of B5B5.
BeginbordD5Rotonde
Art. 2.39
VALKUIL
Op de rotondeD5 geldt geen voorrang van rechts. Wie erop rijdt, gaat voor.
Bebouwde komF1a
Op straat zeg jein het dorp, in de stad
In het examen heet hetBebouwde komF1a
Gebied dat begint bij het naambord F1F1a en eindigt bij F3F3a. In Vlaanderen max 50 km/u.
BeginbordF1aBegin van de bebouwde kom
EindbordF3aEinde van de bebouwde kom
Art. 2.12
VALKUIL
Huizen zien is niet genoeg. Het bord telt.
WoonerfF12a
Op straat zeg jewoonstraat waar kinderen spelen
In het examen heet hetWoonerfF12a
Straat waar wonen en spelen voorgaan. Bord F12aF12a. Max 20 km/u.
BeginbordF12aBegin woonerf of erf
EindbordF12bEinde woonerf of erf
Art. 2.32 en 22bis
VALKUIL
Een speelstraat is iets anders: daar staat een hek met bord C3C3 en het onderbord "speelstraat".
Pad
Op straat zeg jewegeltje
In het examen heet hetPad
Een smalle openbare weg alleen voor voetgangers en voertuigen die niet meer plaats nodig hebben dan een voetganger.
Art. 2.5
VALKUIL
Wie uit een pad of aardeweg komt, verleent voorrang aan iedereen op de weg die hij oprijdt.
Stilstaan
Op straat zeg jeeven stoppen
In het examen heet hetStilstaan
Niet langer stoppen dan nodig om iemand te laten in- of uitstappen of om te laden en te lossen.
Art. 2.22
VALKUIL
Stilstaan is niet hetzelfde als parkeren. Bij bord E1E1 mag stilstaan wel, bij E3E3 niet.
Parkeren
Op straat zeg jede auto zetten
In het examen heet hetParkeren
Langer blijven staan dan nodig voor in- en uitstappen of laden en lossen. Tanken en opladen is ook parkeren.
Art. 2.23
VALKUIL
Tanken telt als parkeren. Dat verrast veel mensen.
Maximaal toegelaten massa (MTM)
Op straat zeg jehet max gewicht
In het examen heet hetMaximaal toegelaten massa (MTM)
Het hoogste gewicht dat het voertuig mag hebben, mét lading en mensen. Het staat op het inschrijvingsbewijs en verandert niet.
Art. 2.28
VALKUIL
MTM is niet wat het nu weegt. Een lege aanhangwagen met MTM 18 ton blijft 18 ton MTM.
Voetganger
Op straat zeg jeiemand te voet
In het examen heet hetVoetganger
Iemand die te voet gaat. Ook wie een fiets, kinderwagen of brommer aan de hand leidt, telt als voetganger.
Art. 2.46
VALKUIL
Duw je je brommer? Dan ben je voetganger en hoor je op het trottoir.
Bestuurder
Op straat zeg jechauffeur
In het examen heet hetBestuurder
Iedereen die een voertuig bestuurt, ook een fietser. En ook wie dieren of vee leidt.
Art. 2.13
Manoeuvre
Op straat zeg jeeen beweging maken
In het examen heet hetManoeuvre
Van rijstrook wisselen, de rijbaan oversteken, uit een parkeerplaats rijden, uit een oprit komen, keren of achteruitrijden.
Art. 12.4
VALKUIL
Wie een manoeuvre doet, verleent voorrang aan alle anderen.
Prioritair voertuig
Op straat zeg jeambulance, brandweer, politie
In het examen heet hetPrioritair voertuig
Voertuig met blauwe knipperlichten en sirene. Bij een dringende opdracht maak je de weg vrij en stop je zo nodig.
Art. 37 en 38
OverwegA45
Op straat zeg jespoorweg, de bareel
In het examen heet hetOverwegA45
Een kruising van de weg met spoorlijnen.
Art. 2.11
VALKUIL
Een trein of tram heeft altijd voorrang.
Plaatselijk verkeer
Op straat zeg jebewoners
In het examen heet hetPlaatselijk verkeer
Bewoners en hun bezoekers, leveringen, onderhoud, prioritaire voertuigen, fietsers en ruiters.
Art. 2.47
VALKUIL
Staat "uitgezonderd plaatselijk verkeer" op het onderbord? Ga je bij iemand op bezoek, dan mag je erin.